Gisteren liep ik in de namiddag naar Calella en later weer terug richting Pineda. Het was al donker, maar de straten waren allesbehalve leeg. Winkels waren open, mensen liepen rond, kinderen speelden nog buiten. Het voelde levendig, zonder druk te zijn.
In de zomer valt dat nauwelijks op. Dan is alles laat, overal mensen, toeristen, terrassen, beweging. Dat hoort bij het seizoen. Maar nu, in de winter, raakt het me opnieuw. Juist omdat ik weet hoe anders het kan zijn.
In Nederland verandert het straatbeeld vanaf november. Na vijf uur ’s middags wordt het stiller. Mensen gaan naar binnen. Supermarkten en restaurants zijn nog open, maar het leven verplaatst zich naar binnenruimtes. Je ziet minder mensen zomaar lopen, minder beweging in de straten. Ook in steden.
Zeker in de plaatsen waar ik woonde, voelde de avond vaak als iets om doorheen te komen, niet om in te blijven.
Hier is dat anders. Zelfs in een stadje als Pineda, met zijn dertigduizend inwoners, is er ’s avonds leven. De winkelstraat is gevuld met mensen. De kapper is nog open. Bij de makelaar brandt licht en zitten mensen achter hun bureau. Kinderen spelen buiten, ook in de winter, ook tegen zeven uur ’s avonds.
Zeker, rond kerst, is er muziek en zijn er kleine activiteiten. Maar ook de rest van de winter is het nog gezellig.
Het is geen drukte, geen spektakel. Het is gewoon aanwezigheid.
Elke keer weer denk ik: oh ja, zo is het hier. Niet omdat ik het niet weet, maar omdat ik het voel. In Nederland sloot ik me na vijf uur vanzelf een beetje op. Hier denk ik juist: ik kan nog even naar buiten. Niet omdat het moet, maar omdat het prettig is.
Het is een ander ritme. Een andere vanzelfsprekendheid. De avond is hier niet iets wat je overleeft tot bedtijd, maar iets wat nog openligt.
En elke keer dat ik dat opnieuw ervaar, voelt het als een stille bevestiging: dit past bij mij.