Soms denk ik dat ik op de markt net zo goed een kleurenpalet samenstel als mijn boodschappen.
Een rij knalrode tomaten. Aubergines met dieppaars vel. Een kist perziken in pastel-oranje en roze. Meloenen met een geelgroene waas. En dat ene lichtblauwe plastic krat dat net de juiste contrastkleur toevoegt.
Wat ik op die momenten zie, is geen ‘voedsel’.
Ik zie kleur. Ritme. Compositie.
Ik woon inmiddels in Spanje, en de markten hier zijn een lust voor het oog. Alles is vers, seizoensgebonden, kleurrijk. En precies dat traint mijn oog als ontwerper. Kleurgebruik draait voor mij niet om regels of modetrends. Het gaat om gevoel. Om het durven combineren van wat je ziet, ruikt, proeft, voelt.
Een salade met aardbeien, blauwe kaas en walnoten is óók een kleurencombinatie: rood, crème, donkerbruin, groen.
En ineens denk ik: hé, dat zou ook best een mooi palet zijn voor een website voor een creatieve foodblogger.
Ik leer van hoe de natuur het doet.
Geen kleur staat los. Alles beïnvloedt elkaar. Warmte, textuur, licht, net als in een goed ontwerp.
Daarom trek ik ook vaak de vergelijking tussen koken en ontwerpen. Allebei gaan ze over smaak, balans en creatief durven zijn. Niet té netjes. Niet té bedacht. Maar levendig.
Echt. Aards.
En het mooiste? Je hoeft er geen specialist voor te zijn.
Je kunt jezelf trainen in kijken. Gewoon op de markt. In je keuken. Door te tekenen wat je ziet. Of door een kleurenpalet te maken van je lunch. Klinkt misschien gek, maar het werkt. Je wordt er scherper van en geïnspireerd.
Of ik nu een website ontwerp, een moodboard maak of alleen maar wat groenten snijd: kleur is altijd aanwezig.
En als je eenmaal leert kijken, zie je het overal.