Twee nachten, drie volle dagen – en toch voelde het alsof ik in een andere wereld terechtkwam. Slechts 120 kilometer van Pineda, maar het contrast kon niet groter zijn.
De Costa Brava is zó anders dan de Costa Maresme. Waar ik thuis gewend ben aan de lange, open zandstranden, vind je hier de rotsige kust, met kleine, verborgen cala’s. En dan Cadaqués: een verhaal apart. Volgens een vriendin is het een van de parels van de Costa Brava. Afgesneden van de rest van de kust, bereikbaar via een pas van tien kilometer vol scherpe bochten. Maar zodra je de laatste bocht neemt en het dorp in zicht komt, ontvouwt zich een adembenemend uitzicht.
Soms zou ik de tijd willen terugdraaien. Zien hoe het er honderd jaar geleden moet hebben uitgezien, zo afgelegen en puur. Of in de jaren zestig en zeventig, toen Dalí in Port Lligat woonde. Tegenwoordig is alles van gemakken voorzien: restaurants, boetieks en natuurlijk de toeristen. Al viel dat half september mee. Vooral veel Fransen – waarschijnlijk omdat de grens zo dichtbij ligt.
De kronkelende straatjes zijn een schilderij op zich: geplaveid met witte muren, blauwe en groene luiken, kleurrijke klimplanten en was die wappert in de nauwe doorgangen. Niet de kleuren, maar juist dat beeld deed me denken aan oude Italiaanse films.
Boven alles uit torent de kerk van Santa Maria. Waar je ook staat – aan de kade, in de baai of in de smalle straten – steeds zie je haar silhouet. Tijdens mijn bezoek ontdekte ik dat er elke woensdagavond een gitaarconcert wordt gehouden. Toevallig viel mijn verblijf precies op zo’n dag. Met de verlichting en de muziek was het de perfecte gelegenheid om het retablo van dichtbij te zien. Barok, uit hout gesneden en verguld, vol details: engelen, kolommen, krullen en figuren die door de gelaagdheid en schaduw telkens iets nieuws onthullen. Centraal staat de Maagd Maria met het Kind, omdat de kerk aan haar is gewijd. Santa Maria is de beschermheilige van de vissers van Cadaqués.
Mooi? Dat vind ik lastig. Het is bijna theatraal, een barokstijl die je hier in Catalonië veel ziet. Wat ik wel bewonder is het vakmanschap en de intentie: de gelovigen moesten overweldigd worden, zich klein voelen tegenover de grootsheid van het goddelijke.
Toch was dit niet mijn echte hoogtepunt.
Hoe gezellig ik Cadaqués ook vond – de baai, de straatjes, de terrasjes – het mooiste moment was voor mij de vroege ochtend in Port Lligat. Ik benijd Dalí niet om zijn roem, zijn leven met beroemdheden of zelfs zijn schilderijen. Maar ik benijd hem om dát: dat hij daar elke ochtend wakker werd, in dat licht, met dat uitzicht. Wat een bron van inspiratie moet dat zijn geweest.
Voor de meeste toeristen draait een bezoek aan Cadaqués om flaneren langs de boulevard, winkelen en uit eten gaan. Natuurlijk is dat fijn, maar voor mij lag de magie elders.
Op mijn tweede dag stond ik om zes uur ’s ochtends op. In het donker liep ik van mijn hotel naar Port Lligat. Daar, aan de rand van de baai, legde ik een handdoek in het gras en keek hoe de hemel langzaam kleurde. Eerst diepblauw, dan een zachte oranje gloed. Vissersbootjes lagen stil op het spiegelgladde water. De lucht veranderde van oranje naar roze, naar goudgeel. En toen verscheen de zon, langzaam, alsof ze zich voorzichtig liet zien.
Even later zwom ik, helemaal alleen, in een kleine baai. Het water was koel, helder en stil – alleen de kleuren van de opkomende zon bewogen met mij mee.
Dat was voor mij het échte Cadaqués. Niet de winkels, niet de drukte, maar het stille wonder van de ochtend.
