Zondag had een geur. Een geur van warme melk, gesmolten chocolade en crème die nét niet mocht koken. Want dan ging het mis.
Mijn moeder wist precies wanneer ze moest roeren, afzetten, af laten koelen. Desserts waren geen alledaags ding. Ze waren speciaal. Charlotte au chocolat, baba au rhum, crème caramel, rijstpudding met karamel… Soms gingen we na de kerk naar een salon de thé : een klein gebakje, een kopje thee. Geen slagroomtaart met glazuur, maar een klein kunstwerkje met fruit, room of een vleugje rum. Ook als kind proefde ik het verschil.
Mijn moeder maakte veel zelf. De frietjes werden gesneden van aardappels. De mayonaise werd met de hand geklopt. En vinaigrette? Gewoon op de klassieke manier, zoals ze het in Frankrijk geleerd had: mosterd, olie, azijn, zout en peper.
Van haar leerde ik de basis. Maar ik ben degene die is gaan experimenteren. Ik heb nog nooit vinaigrette uit een potje gekocht. Wel begon ik op een gegeven moment te spelen met smaken: fruit erbij, bijzondere oliën, azijnen van vrienden die me iets uit hun land meenamen. Syrisch, Turks, mediterraan. Mijn keuken werd ruimer dan het keukentje van vroeger. Maar de liefde voor zelfmaken is gebleven.
Ik ben nooit iemand geweest die standaard naar kant-en-klaar greep. Alleen in tijden dat ik niet lekker in m'n vel zat, of volledig opging in werk, gebeurde dat weleens. Maar tegenwoordig, nu ik juist rust en ruimte voel, maak ik vrijwel alles weer zelf. Niet uit plicht, maar omdat het goed voelt.
Mijn kruidenlade is mijn stille erfenis, een behoefte aan smaak die klopt, puur is en geen overbodige toevoeging nodig heeft.
Ik kook niet als mijn moeder. En toch voel ik haar soms, terwijl ik iets roer. In een geur, in een ritme, in het idee dat een maaltijd aandacht verdient.
En dat begint soms bij iets simpels. Zoals een vinaigrette. Of een baba au rhum die ik ooit weer eens wil eten. In Frankrijk. Op een zondag.