Langs de kust, van Calella tot Tossa de Mar, vaart van mei tot oktober dagelijks een toeristenboot.
Je kunt opstappen, een tocht maken over zee, uitstappen in Tossa, daar rondwandelen, wat eten of winkelen, en in de namiddag weer terug. Het klinkt misschien als een leuk dagje uit.
En begrijp me niet verkeerd, ik hou van de zee. Dat is ondertussen wel duidelijk geworden in mijn verhalen. Ik zwem er dagelijks in, ik kijk ernaar, ik adem haar lucht in. En ik ben ook graag op zee.
Maar zo’n boot vol toeristen? In de volle zon op het dek, schouder aan schouder, en dan samen met een hele meute aankomen in een overvol Tossa? Nee, dat trekt me eerlijk gezegd niet zo. Het is trouwens ook niet goedkoop.
Toch denk ik soms dat ik het misschien eens zou moeten doen, voor de ervaring. Tossa heb ik namelijk alleen bezocht in februari, samen met Lisette. Toen was het er heerlijk rustig. Veel was dicht, maar juist die stilte had iets bijzonders. Binnenkort ben ik twee weken in San Feliu de Guíxols, en misschien maak ik dan een uitstapje naar Tossa. Nu het nog net vóór het echte hoogseizoen is.
Voor nu is die toeristenboot voor mij iets anders geworden: mijn klok aan zee.
Elke ochtend, tussen kwart voor negen en negen uur, zie ik haar langsvaren richting Calella, waar de eerste mensen opstappen. Dat is mijn seintje: tijd om richting huis te gaan. Om te gaan werken. En op mijn vrije dagen? Dan blijf ik wat langer zitten en zie ik haar terugvaren, met de eerste lading toeristen aan boord.
Tot zover. Morgen weer een nieuwe ochtend, en weer dat vertrouwde geluid van de boot die passeert.